Besluit afwijzing handhavingsverzoek IATA artikel 24 Mededingingswet
IATA heeft de ACM verzocht om op basis van artikel 24 van de Mededingingswet handhavend op te treden tegen Royal Schiphol Group N.V. (Schiphol), omdat Schiphol een economische machtspositie zou hebben en hier misbruik van zou maken. Het verzoek van IATA hield verband met de tarieven en voorwaarden die Schiphol heeft vastgesteld voor de periode 1 april 2025 tot en met 31 maart 2028. De ACM heeft eerder een besluit genomen op een klacht van IATA hierover op basis van de Wet luchtvaart. Tegen dat besluit is IATA in beroep gegaan.
De ACM heeft het verzoek van IATA om handhavend op te treden afgewezen op basis van haar prioriteringsbeleid. Na initieel inventariserend onderzoek concludeert de ACM dat nader onderzoek niet doelmatig en doeltreffend is. De ACM is van oordeel dat het onderzoek naar een eventuele overtreding van Schiphol van de Mededingingswet een aanzienlijke inzet van mensen en middelen zou vergen, terwijl de ACM de kans dat er een overtreding wordt vastgesteld zeer gering acht. Hierbij wijst de ACM naar haar beoordeling in haar eerdere besluit op de klacht van IATA op basis van de Wet luchtvaart. De ACM vindt het daarom niet opportuun om nog nader onderzoek te doen naar aanleiding van het handhavingsverzoek van IATA.